logo
 

Bij het gebruik van procarbazine als cytostaticum is een beperking van tyraminebevattende voedingsmiddelen NIET nodig 

Patient-Generated Subjective Global Assessment

Vermijd hoge doseringen antioxidanten tijdens chemo- en radiotherapie

Visolie en chemotherapie

Relatie soja en tumorgroei

Voeding en tumorgroei

 

Bij het gebruik van procarbazine als cytostaticum is een beperking van tyraminebevattende voedingsmiddelen NIET nodig (januari 2016)

De LWDO stelt zich op het standpunt dat bij gebruik van procarbazine (merknaam Natulan) als cytostaticum geen beperking van tyraminebevattende producten in de voeding is aangewezen.
Het verbod op gebruik van alcohol staat daar buiten en blijft van kracht.

De overwegingen die leiden tot dit standpunt zijn de volgende:
 • Er is geen literatuur beschikbaar over de effecten van tyraminebevattende producten bij het cytostaticum procarbazine (merknaam Natulan).
 • Weliswaar wordt een verbod op tyraminebevattende producten op een aantal behandellocaties wereldwijd voorgeschreven, maar die blijken allemaal gebaseerd te zijn op studies bij MAO-remmers in de psychiatrie. Die situaties zijn echter niet vergelijkbaar. De MAO-remmers in de psychiatrie, voor o.a. behandeling van depressie, zijn krachtige MAO-remmers en worden continu en over een lange periode gebruikt. Bij gelijktijdig gebruik van tyramindebevattende producten kan een zeer hoge bloeddruk c.q. een hypertensieve crisis optreden. Het cytostaticum procarbazine is echter een zeer zwakke MAO-remmer die bij de (doorgaans palliatieve) behandeling van gliomen gebruikt wordt als onder deel van de PCV-kuur. (procarbazine, cecenu , vincristine) als aanvulling op radiotherapie. (Bron: Oncoline Richtlijn neuro-oncologie Gliomen 2015). Het gebruik van procarbazine is daarbij beperkt in duur: In een kuur van 6 weken wordt 2 weken procarbazine geslikt en dan 4 weken niet. Er worden zo mogelijk in totaal 6 kuren gegeven, dus in totaal 12 weken procarbazine met grote intervallen en stopt dan. Dat is totaal anders dan het continue en langdurig gebruik van krachtige MAO-remmers in de psychiatrie bij depressie.
 • Bij de bijwerkingen van procarbazine als cytostaticum en bij de PCV-kuur wordt een verhoogde bloeddruk niet vermeld. (Bron: SIBopmaat 2015 ). In het Farmaceutisch Kompas 2015 wordt procarbazine omschreven als een zeer zwakke MAO-remmer en wordt ook geen verhoogde bloeddruk c.q. hypertensieve crisis als bijwerking gemeld. Alcohol wordt wel ontraden.
 • Bij statusonderzoek van gebruikers van procarbazine gedurende de afgelopen 2 jaar, kwam verhoogde bloeddruk als bijwerking vrijwel niet voor in de beschreven bijwerkingen. In 2 gevallen was bij een opname op de SEH vanwege ernstige (andere) klachten een licht verhoogde bloeddruk gemeten, passend bij de stressvolle situatie van een opname op de SEH.
 • Een verhoogde bloeddruk is een ongewenst effect vanwege risico’s op HVZ op lange termijn. Bij hooggradig glioom graad III en IV is de prognose slecht, de duur van de overleving gemiddeld kort en de behandelingsopzet palliatief. Chemotherapie verlengt mogelijk wel de duur van de overleving, maar daarbij wordt in maanden gedacht, niet in jaren. Lange termijn effecten zijn niet relevant. Het is erg onwaarschijnlijk dat tyraminebeperkt dieet iets toe voegt aan de beoogde palliatie.
 • Als bijwerking bij de PCV kuur als geheel staat naast leucopenie en trombopenie vooral misselijkheid en braken voorop met anorexie. De inname van voeding is beperkt. Adviezen om de gestoorde inname nog enigszins te bevorderen dienen niet te worden belast met adviezen zoals die in het tyramine beperkt dieet worden gegeven.
 • Een rondgang langs de oncologische afdelingen van de Nederlandse academische en topklinische ziekenhuizen via de leden van de LWDO geeft aan dat bij de meeste bij procarbazinegebruik geen tyraminebeperkte voedingsrichtlijnen worden gegeven. In diezelfde ziekenhuizen zijn bij MAO-remmers  

 


 

Patient-Generated Subjective Global Assessment (Short Form) als voorkeursinstrument voor het vaststellen van (risico op) ondervoeding bij patiënten met kanker (2014)

Op 13 november 2014 heeft de Landelijke Werkgroep Diëtisten Oncologie (LWDO) de Patient-Generated Subjective Global Assessment Short Form (PG-SGA SF) verkozen tot voorkeursinstrument voor screening op (risico op) ondervoeding bij patiënten met kanker. De LWDO hanteert ook de volledige PG-SGA als voorkeursinstrument om, nadat de patiënt is verwezen naar de diëtist, de voedingstoestand gedetailleerd te bepalen (nutritional assessment). De Richtlijn Ondervoeding bij kanker uit 2012 (IKNL, 2012) gaf al aan dat de PG-SGA geschikt zou zijn voor het bepalen van de voedingstoestand mits deze voor de Nederlandse setting zou zijn gevalideerd.

De volledige PG-SGA bestaat uit de PG-SGA SF (vragen over gewichtsverloop, (veranderingen in de) voedingsinname, voedingsgerelateerde klachten/symptomen en lichamelijke activiteit/functioneren), met aanvullende vragen over ziekte in relatie tot voedingsbehoefte, metabole stress en lichamelijk onderzoek. Op basis van deze aanvullende vragen beoordeelt  de professional (bv. diëtist, verpleegkundige, arts) in welke PG-SGA Categorie de patiënt valt.
De PG-SGA SF wordt (zoveel mogelijk) door de patiënt zelf ingevuld en screent op aanwezigheid van (risico op) ondervoeding. De PG-SGA SF en volledige PG-SGA genereren een puntenscore, waarbij circa 80 tot 90% van de totale PG-SGA puntenscore afkomstig is uit de PG-SGA SF. Net als de volledige versie van de PG-SGA dekt de PG-SGA SF alle drie domeinen van de definitie van ondervoeding, namelijk: 1) Nutriëntenbalans, 2) Lichaamsvorm, lichaamsoppervlakte en lichaamssamenstelling en 3) Lichaamsfunctie (Sealy et al., 2014). Hierdoor is de PG-SGA SF tevens geschikt voor gebruik in alle andere populaties met risico op ziektegerelateerde ondervoeding. De PG-SGA kan dan ook zowel in de eerste, tweede als in de derde lijn worden toegepast.


De LWDO gebruikt onderstaande argumenten om de PG-SGA SF te hanteren als voorkeursinstrument voor screening van (risico op) ondervoeding en de volledige PG-SGA voor het bepalen van de voedingstoestand.

  • Zowel de PG-SGA SF als de PG-SGA zijn in de wetenschappelijke literatuur beschreven als betrouwbare en valide instrumenten voor alle patienten met kanker. (Bauer et al., 2002; Isenring et al., 2003; Gabrielson et al., 2013; Vigano et al., 2014).
  • De Richtlijn Ondervoeding bij kanker (IKNL, 2012) heeft aangegeven dat de PG-SGA bij voorkeur wordt gehanteerd voor het bepalen van de voedingstoestand bij oncologische patiënten mits deze gevalideerd zou zijn voor de Nederlandse setting. Nu de PG-SGA met behulp van een cross-culturele adaptatie is gevalideerd (Sealy et al., to be published) en beschikbaar is voor de Nederlandse setting kan de PG-SGA gebruikt worden om de voedingstoestand te bepalen.
    De PG-SGA wordt binnen de internationale oncologische voedingszorg gezien als gouden standaard. Bij de validering van de MUST (Boleo-Tomé et al., 2012) en andere screeningsinstrumenten (Orell-Kotikangas et al., 2014; Shaw et al., 2014; Isenring et al., 2006) voor de oncologische populatie is tevens gebruik gemaakt van de PG-SGA als gouden standaard. De LWDO is van mening dat wanneer de gouden standaard zelf beschikbaar is voor gebruik in de praktijk, deze methode de voorkeur verdient, om de hoogst mogelijke sensitiviteit en specificiteit te bereiken.
  • De PG-SGA SF is onderdeel van de PG-SGA. Het gebruik van zowel de PG-SGA SF als de PG-SGA binnen eenzelfde populatie en binnen verschillende zorgsettings (zowel in 1ste, 2de en 3de lijn) maakt het mogelijk om screening en nutritional assessment geïntegreerd toe te passen binnen het voedingszorgproces, in de gehele zorgketen. Bij gebruik van eenzelfde screeningsinstrument binnen de verschillende zorgsettingen is er minder verwarring over welk instrument dient te worden gebruikt en kunnen prevalentiecijfers van (risico op) ondervoeding in verschillende instellingen en settings beter met elkaar worden vergeleken.
    Bovendien maakt gebruik van de PG-SGA SF en de PG-SGA het mogelijk om de voedingstoestand in de loop der tijd systematisch te monitoren en het effect van (voedings)interventies te evalueren, wat niet kan met de huidige screeningsinstrumenten die alleen geschikt zijn voor screening en niet voor nutritional assessment.
  • De PG-SGA SF kan door de patiënt zelf worden ingevuld en is daarmee quick and easy. Met de PG-SGA SF wordt patiëntgerichte zorg gestimuleerd, waarbij de patiënt zelf actief wordt betrokken en bewustzijn rond het fenomeen ondervoeding kan worden gecreëerd. Hiermee wordt ook het zelfmanagement en self empowerment van de patiënt gestimuleerd.
  • Met de PG-SGA SF wordt een patiënt niet alleen gescreend op bestaande ondervoeding maar ook op risico op ondervoeding. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er nog geen sprake is van gewichtsverlies maar de patiënt wel last heeft van klachten/symptomen (zoals misselijkheid, verminderde eetlust, pijn). De puntenscore (triage) in zowel de PG-SGA SF als de PG-SGA biedt handvatten om vroegtijdig en proactief te interveniëren op deze risicofactoren voor ondervoeding. Hiermee kan verdere verslechtering van de voedingstoestand of het ontwikkelen van ondervoeding worden voorkomen. Dit is belangrijk omdat eenmaal verloren gewicht en spiermassa moeilijk te herstellen is, met name in de oudere populatie, zoals bij oncologie vaak het geval is.

 

Referenties:

 

Bauer J, Capra S, Ferguson M. Use of the scored Patient-Generated Subjective Global Assessment (PG-SGA) as a nutrition assessment tool in patients with cancer.

Eur J Clin Nutr 2002 Aug;56(8):779-85.

 

 

Gabrielson DK, Scaffidi D, Leung E, Stoyanoff L, Robinson J, Nisenbaum R, Brezden-Masley C, Darling PB. Use of an abridged scored Patient-Generated Subjective Global Assessment (abPG-SGA) as a nutritional screening tool for cancer patients in an outpatient setting. Nutr Cancer 2013;65(2):234-9.

 

Isenring E, Bauer J, Capra S. The scored Patient-generated Subjective Global Assessment (PG-SGA) and its association with quality of life in ambulatory patients receiving radiotherapy. Eur J Clin Nutr  2003 Feb;57(2):305-9.

 

Sealy MJ. Nijholt W, Stuiver MM, Van den Berg MM, Roodenburg JLN, Van der Schans CP, Ottery FD,

Jager-Wittenaar H. Content validity of methods to assess malnutrition in cancer patients: a systematic review, Abstract n° pp163 Clinical Nutrition Week 2014, 2014.

Vigano AL, di Tomasso J, Kilgour RD, Trutschnigg B, Lucar E, Morais JA, Borod M. The abridged patient-generated subjective global assessment is a useful tool for early detection and characterization of cancer cachexia. J Acad Nutr Diet. 2014 Jul;114(7):1088-98.

 

 

 


 

 

Vermijd hoge doseringen antioxidanten tijdens chemo- en radiotherapie (2012)

Voedingssupplementen in hoge dosering kunnen tegen kanker beschermen, maar ook kanker veroorzaken. De LWDO heeft daar onderzoek naar gedaan en adviseert het gebruik van hoge doseringen antioxidanten tijdens chemo- en radiotherapie te vermijden.

Het gebruik van antioxidanten geeft geen significante vermindering van de toxiciteit van chemotherapie. Er lijkt geen ongewenst effect te zijn op de respons op de therapie of het overlijdensrisico. Bij radiotherapie zijn er onvoldoende gegevens bekend over de toxiciteit van antioxidanten. Het gebruik van hoge doseringen vitamine E bij patienten met hoofd/halskanker stadium I/II heeft een nadelig effect op het ontstaan van een 2e primaire tumor en op kankervrije overleving. Deze conclusie kan echter niet geëxtrapoleerd worden naar andere tumorsoorten.

 

Over de veiligheid van suppletie met antioxidanten is nog onvoldoende bewijs.  Daarom dient het gebruik van hoge doseringen antioxidanten vermeden te worden tijdens chemo- en radiotherapie.

 

Een onvolwaardige voeding is een goede reden voor suppletie. De maximale dosering van antioxidanten bovenop een normale voedingsinname is 100% van de ADH.

 

Lees een samenvatting van het rapport: "Nut, noodzaak en risico's van antioxidanten tijdens chemo- en radiotherapie".

Kijk voor meer informatie in het themanummer oncologie van het NTVD, mei 2012. 

 

 

 


 

  

Visolie en chemotherapie (2012)

 Informatie over visvetzuren en chemotherapie is te vinden op

http://www.voedingenkankerinfo.nl/mag-ik-vis-eten-en-visolie-gebruiken-bij-chemotherapie/

 

  

 


 

  

Relatie soja en tumorgroei (2012)

Bij borstkanker

Soja bevat isoflavonen: stoffen met een oestrogeenachtige werking. Isoflavonen lijken volgens enkele dier- en in vitro-studies borsttumorgroei te bevorderen. Drie epidemiologische studies tonen echter geen nadelige effecten van sojabevattende voedingsmiddelen op borstkankerprognose. Soja leek zelfs mogelijk geassocieerd ter zijn met een verminderde kans op recidief of overlijden.

Bij prostaatkanker is er bij in vitro-studies gekeken naar het effect van phyto-oestrogenen op kankerprogressie en preventie. Lage concentraties, zoals in soja, lijken geen effect te hebben. Hoge doses in supplementen zijn mogelijk onvoldoende veilig.Verder vergroot hormoontherapie bij prostaatkanker de kans op opvliegers.  Er is geen bewijs dat sojaproducten een gunstige invloed hebben op het verminderen van opvliegers.

 

Advies bij zowel borst- als prostaatkanker:

Op basis van onderzoek zijn harde conclusies niet mogelijk en is zowel de veiligheid als de schadelijkheid van (vooral hoge doses) niet aangetoond.

- Gebruik maximaal 3 voedingsmiddelen per dag die van nature soja bevatten (smeer- en bereidingsvetten, sojascheuten, sojamelk, sojayoghurt, tahoe, tempe en vegetarische vleesvervangers)

- Het gebruik van supplementen met hoge doses soja, phyto-oestrogenen of isoflavonen wordt ontraden.

 


 

 

 

Doet voeding de tumor groeien? (2012)

Er is geen bewijs beschikbaar dat voeding -afgestemd op de actuele- voedingsbehoefte bij patienten met kanker zou leiden tot buitensporige tumorgroei.

Hyperalimenteren of overvoeden leidt wel tot complicaties, zoals toename van vetweefsel en hyperglycaemie. Bij het geven van een overdosis vitaminen worden naast toxische effecten ook ongewenste effecten op de tumorgroei gezien. Daarom worden hyperalimenteren en hypervitamineren als risicovol beschouwd en afgeraden. Optimaal voeden van patienten met kanker hoort het streven te zijn. De voordelen van het verbeteren van de voedingstoestand wegen op tegen en mogelijk effect op de tumorgroei. Angst voor progressie van de ziekte als gevolg van voedingsinterventies mag dan ook niet de argumentatie zijn om af te zien van voedingsinterventies.